De filosoof is nu bevriend met Fanja van Driel
Een filosoof denkt na over grote vragen die zich aan ons opdringen. Hij zoekt naar verklaringen voor het zijn van de mens, de ratio, de waarheid, de werkelijkheid en meer. Hij doet dit door middel van overpeinzingen en gedachte-experimenten.
Traditioneel was de filosofie, in ieder geval in eigen ogen, de koningin der
wetenschappen. Doordat de filosofie en de andere wetenschappen meer naar elkaar
zijn gaan kijken is dat veranderd. In de inleiding van het boek Filosofen van
deze tijd schrijven de samenstellers Maarten Doorman en Heleen Pott; “Het
poststructuralisme viert zijn triomfen in de eerste plaats buiten de traditionele
filosofie, in de literatuur, wetenschap, de Amerikaanse cultural studies en de
postmoderne theologie. Het overschrijdt de grenzen tussen afzonderlijke academische
disciplines binnen een ruim gedefinieerd amalgaam van cultuurwetenschappen.”
Hier kun je dus stellen dat de filosoof in de eerste plaats het meest gemeen
heeft met de interpretator. Hij kan in ieder geval veel gebruik maken van zijn
onderzoeken.
Verder in de inleiding van Filosofen van deze tijd wordt uitgelegd hoe de filosofie
tegenwoordig niet meer duidelijk te definiëren is, er is geen goede introductie
in het vakgebied filosofie, zoals het nu beoefend wordt.
“Daarmee is de filosofie, en in ruimere zin de wetenschap, iets onontbeerlijks
uit handen geslagen: de maatstaaf om van een mening of opvatting algemeen geldige
kennis te maken, om te kunnen onderscheiden tussen subjectieve opinie en objectieve
waarheid, tussen doxa en epistčmč. Wat hier sneuvelt is het vanzelfsprekend
zelfvertrouwen waarmee filosofen beweerden dat zij universele, ware kennis konden
funderen.”
De filosoof trekt dan ook zijn eigen waarheden en stellingen in twijfel.
Hij zal echter wel waarheden verkondigen om de vooruitgang, of in ieder geval
de continuďteit in het denken en het onderzoek te waarborgen. Immers zonder
stelling geen weerlegging.
Hegel schreef in het voorwoord van Grundlinien de Philosophie des Rechts (1821);
“Wat redelijk is, dat is werkelijk, en wat werkelijk is, dat is redelijk”. Dus;
“Hoe systematischer de filosofie nadenkt, hoe dieper ze doordringt in de
rationaliteit van het zijn”. Vatten de schrijvers van de inleiding in
Filosofen van deze tijd samen.
Dat gezegd kan dus het systematische onderzoek van de observator erg helpen,
maar het verondersteld tegelijkertijd dat het zijn te doorgronden is via de
rede. En ook dat is in de filosofie geen algemeen geldende waarheid meer.
Met Nietzsche was deze opvatting dan ook vernietigd. “Maar wat zich opdrong
was niet meer de rede die zegevierde op alle gebieden des levens, het was de
eenzaamheid van het moderne subject, de ambivalentie in het menselijk handelen,
de kwetsbaarheid van een eindig bestaan, de wreedheid van de geschiedenis en de
verbijstering over het verlies van universele, zingevende verklaringsmodellen
voor de werkelijkheid.”
Toch blijft de filosoof proberen antwoorden te vinden en te geven, of via het
stellen van vragen antwoorden te vinden. De stellingen en vragen komen voort uit
gedachte-experimenten en bestaande filosofische theorieën. Maar hoeven dus niet
gebaseerd te zijn op algemeen geldende waarheden of feiten, zoals dat wel is bij
de observator en de interpretator.
De filosoof kan sorteren om een bepaalde uitkomst te forceren, waar de anderen
op kunnen reageren, ten behoeve van het experiment. Wat zou er gebeuren als je
bepaalde elementen uitvergroot, weglaat of toevoegt?